| | | | :-: | :-: | | Laatst bijgewerkt op 24 juli 2017 door MeesterPierre Van den EyndeDeze clausules zijn een actualisatie van de clausules die in belangrijke mate geïnspireerd zijn op het model van Brusselse compromis van Martin Desimpel.Onderhandse verkoopovereenkomst – goed gelegen in het Brussels Hoofdstedelijk GewestOrdonnantie van 5 maart 2009 betreffende het beheer en de sanering van verontreinigde bodems Goed onderworpen aan de gedwongen mede-eigendom (art. 577-3 e.v. BW)Het attest vermeldt dat het terrein opgenomen is in de inventaris van de bodemtoestand in categorie 3, 4a, 4b of 4c\[De aandacht van de partijen wordt gevestigd op de sancties vermeld in artikelen 75 tot 78 van de Ordonnantie voor het geval de verplichtingen vermeld in de Ordonnantie niet werden gerespecteerd.\]\[Deze clausules zijn mutatis mutandis van toepassing op andere vervreemdingen van zakelijke rechten als bedoeld in artikel 3, 28° Ordonnantie.\]De partijen verklaren geïnformeerd te zijn over de bepalingen van de Ordonnantie van 5 maart 2009 betreffende het beheer en de sanering van verontreinigde bodems, die de verkoper van een onroerend goed onder meer de verplichting opleggen om voorafgaandelijk aan de koper een bodemattest te overhandigen, afgeleverd door het Brussels Instituut voor Milieubeheer (hierna “ Instituut”).De koper verklaart op de hoogte te zijn van de inhoud van het bodemattest dat door het Instituut werd afgeleverd op \*, met vermelding van de gedetailleerde gegevens vermeld in de inventaris van de bodemtoestand voor het perceel waarop het onroerend goed waarvan de verkochte\* private\* kavel\* deel uitmaakt, is opgetrokken. \[Indien (het vermoeden van) de verontreiniging of de risicoactiviteit de verkochte privatieve kavel zelf betreft, dient toepassing te worden gemaakt van de clausules opgenomen onder “02.01. Onroerend goed buiten het regime van gedwongen mede-eigendom”\]Dit attest bepaalt letterlijk het volgende: “ \* ”Aangezien het terrein in categorie \*3 of \*4a, \*4b, \*4c (kiezen) van de inventaris van de bodemtoestand is opgenomen, heeft de verkoper toepassing gemaakt van artikel 13/4 § 2 al. 3 van de Ordonnantie dat hem vrijstelt van de uitvoering van een nieuw verkennend bodemonderzoek. Te dien einde heeft de verkoper binnen 30 dagen voor het aanleidinggevende feit op \*, bij aangetekend schrijven \*of via elektronische weg (kiezen), aan het Instituut gevraagd om vrijgesteld te worden van een nieuw verkennend bodemonderzoek overeenkomstig artikel 13/4 § 2 al. 3 van de Ordonnantie.Op \* (binnen 15 dagen na de aanvraag) heeft het Instituut de verkoper bij aangetekend schrijven of via elektronische weg in kennis gesteld van de ontvangst van zijn aanvraag. De koper verklaart een kopie van voormelde documenten ontvangen te hebben.\*(ofwel) De verkoper verklaart dat hij geen bijkomende informatie bezit die de inhoud van het bodemattest kan wijzigen en verduidelijkt in het bijzonder, na kennis te hebben genomen van de lijst van risicoactiviteiten in de zin van de Ordonnantie, dat geen enkele van deze activiteiten bij zijn weten wordt of werd uitgevoerd op de grond die het voorwerp uitmaakt van deze akte.\*(ofwel) De verkoper verklaart dat hij bijkomende informatie bezit die de inhoud van dit bodemattest kan wijzigen. \[In dit kader wordt tevens de aandacht gevestigd op het feit dat, in voorkomend geval, rekening moet worden gehouden met artikel 10, 2° en/of artikel 11, 1° van de ordonnantie van 13 mei 2004 betreffende het beheer van verontreinigde bodems, welke bepalingen niet werden opgeheven (art. 85 van de Ordonnantie).\]In overeenstemming met artikel 4 van de Ordonnantie verklaart de verkoper aangifte te hebben gedaan bij het Instituut. In haar schrijven de dato \* heeft het Instituut aan de verkoper gemeld dat geen verkennend bodemonderzoek moet worden uitgevoerd. \[de notaris zal bijgevolg het antwoord van het Instituut moeten afwachten alvorens de akte te verlijden\]De koper verklaart een kopie van dit attest en van voormelde brieven ontvangen te hebben evenals, in voorkomend geval, de voormelde aangifte en het antwoord van het Instituut. | Dernière mise à jour le 24 juillet 2017, effectuée par Maître Pierre Van den EyndeCes clauses sont l’actualisation des clauses substantiellement inspirées par le modèle de compromis bruxellois de Martin Desimpel.Compromis de vente - bien situé dans la Région de Bruxelles-Capitale Ordonnance du 5 mars 2009 relative à la gestion et à l’assainissement des sols pollués Bien soumis à la copropriété forcée (art. 577-3 et suiv. C. civ.)L’attestation indique que le terrain est repris en catégorie 3 ou 4a, 4b ou 4c dans l’inventaire de l’état du sol\[L’attention des parties est attirée sur les sanctions reprises aux articles 75 à 78 de l’Ordonnance pour les cas où les obligations reprises dans l’Ordonnance ne sont pas respectées.\]\[Les présentes clauses sont applicables mutatis mutandis aux autres aliénations de droits réels telles que visées par l’article 3, 28° de l’Ordonnance.\]Les parties déclarent avoir été informées des dispositions contenues dans l’Ordonnance du 5 mars 2009 relative à la gestion et à l’assainissement des sols pollués lesquelles imposent notamment au vendeur d’un bien immeuble de transmettre à l’acquéreur, préalablement, une attestation du sol délivrée par l’Institut Bruxellois pour la Gestion de l’Environnement (ci-après dénommé « Institut »).L’acquéreur reconnaît avoir été informé du contenu de l’attestation du sol délivrée par l’Institut en date du \* et mentionnant les informations détaillées de l’inventaire de l’état du sol relative à la parcelle sur laquelle est érigé l’immeuble dont fait\* partie le lot\* privatif\* vendu\*.\[Si (la présomption de la pollution, ou l’activité à risque concerne le lot privatif vendu lui-même, les clauses reprises sous « 02.01. Immeuble en dehors du régime de copropriété forcée » doivent être appliquées\]Cette attestation stipule textuellement ce qui suit : « \* »Le terrain étant repris à l’inventaire de l’état du sol dans la catégorie \*3 ou \*4a, \*4b, \*4c (choisir), le vendeur a fait application de l’article 13/4 § 2al. 3 de l’Ordonnance dispensant celui-ci de procéder à une nouvelle reconnaissance de l’état du sol. A cette fin, le vendeur a demandé dans les 30 jours avant l’accomplissement du fait générateur en date du \*, par lettre recommandée \*ou par voie électronique (choisir), à l’Institut d’être dispensé de procéder à une nouvelle reconnaissance de l’état du sol conformément à l’article 13/4 § 2 al. 3 de l’Ordonnance.En date du \* (dans les 15 jours de la demande), l’Institut a notifié, par lettre recommandée ou par voie électronique, au vendeur la réception de sa demande. L’acquéreur déclare avoir reçu une copie des documents précités.\*(soit) Le vendeur déclare qu’il ne détient pas d’informations supplémentaires susceptibles de modifier le contenu de cette attestation du sol et précise notamment, après avoir pris connaissance de la liste des activités à risque au sens de l’Ordonnance, qu’à sa connaissance aucune de ces activités n’est ou n’a été exercée sur le terrain objet du présent acte.\*(soit) Le vendeur déclare qu’il détient des informations supplémentaires susceptibles de modifier le contenu de cette attestation du sol. \[Il convient dans ce contexte d’attirer également l’attention sur le fait qu’il y a lieu à tenir compte le cas échéant de l’article 10, 2° et/ou de l’article 11, 1° de l’ordonnance du 13 mai 2004 relative à la gestion des sols pollués, lesquelles dispositions n’ont pas été abrogées (art. 85 de l’Ordonnance).\]Conformément à l’article 4 de l’Ordonnance, le vendeur déclare avoir fait une déclaration à l’Institut. Par sa lettre du \*, l’Institut a fait savoir au vendeur qu’aucune reconnaissance de l’état du sol ne devait être effectuée. \[Le notaire devra en conséquence attendre la réponse de l’Institut avant de passer son acte\]L’acquéreur reconnaît avoir reçu une copie de l’attestation et des courriers précités ainsi que, le cas échéant, de ladite déclaration et de la réponse de l’Institut. |